Motorvliegtuigbrevet

Het motorvliegtuigbrevet richt zich op een aantal figuren welke laten zien dat een vlieger zijn vliegtuig volledig onder controle heeft. Het gaat er nadrukkelijk niet om dat de figuren perfect gevlogen worden, veiligheid staat voorop zowel voor, tijdens als na de vlucht. De volgende figuren dienen gevlogen te worden.

 

Voorbereiding:

De vlieger zet zijn vliegtuig in elkaar en checkt daarbij de werking van zijn stuurorganen. Hij zorgt ervoor dat hij voorafgaande aan het checken van de stuurorganen de juiste frequentieknijper van het frequentiebord heeft gepakt en op zijn zender heeft bevestigd. Het vliegtuig wordt van brandstof of baterijen voorzien. In het geval van een brandstofvliegtuig worden alle noodzakelijke materialen gereed gemaakt om het vliegtuig te kunnen starten. Zodra het vliegtuig is gestart wordt gekeken of de afstelling van de motor juist is en wordt het vliegtuig naar de taxibaan of direct naar het vliegvled gebracht.

Op het vliegveld wordt nogmaals gekeken of de stuurorganen allemaal de juiste kant op bewegen.

Start met rechte stijgvlucht:

Voor aanvang van de start wordt vastgesteld waar de wind vandaan komt. De vlieger verteld de instructeur wat het startplan en landingsplan zal zijn, hij geeft aan welke kant hij op zal starten en wat hij gaat doen als om wat voor reden dan ook de start afgebroken moet worden of direct na de start een noodlanding gemaakt moet worden. In het landingsplan geeft de vlieger aan hoe hij het landingscircuit zal vliegen en hoe hij gaat landen.

Het vliegtuig wordt met de neus in de wind gezet en in een rechte lijn gestart. Wanneer het toestel voldoende snelheid heeft zal het in de lucht gebracht worden in een rechte stijgvlucht.

Procedure turn:

Wanneer het vliegtuig de rand van het vliegveld ruim is gepasseerd wordt een zogenaamde procedure turn ingezet. Deze figuur bestaat uit een kwart bocht (90º) naar links gevolgd door driekwart (270º) bocht naar rechts. Deze bochten worden uitgevoerd terwijl het vliegtuig op gelijke hoogte blijft vliegen. Na het uitvoeren van de procedure turn vliegt het vliegtuig voorlangs met de wind in de rug. wanneer het veld weer ruimschoots gepasseerd is maakt de vlieger een keerfiguur naar keuze. Dit figuur zorgt ervoor dat hetvliegtuig weer voorlangs komt te vliegen maar dan tegen de wind in.

Twee lussen achterover:

Wanneer het vliegtuig voor de vlieger vliegt worden twee lussen of loopings achterover gevlogen. De lussen hoeven niet perfect rond te zijn. Wel wordt verwacht dat de vlieger bovenin de lus het gas terugregelt tot stationair. Wanneer het vliegtuig bijna horizontaal vliegt wordt weer gas bijgegeven zodat het vliegtuig voldoende vermogen heeft om de tweede lus te vliegen of na de tweede lus op hoogte door te vliegen.

Wanneer het figuur is afgerond vliegt de vlieger door tegen de wind in totdat het veld weer ruimschoots gepasseerd is. dan wordt er een keerfiguur naar keuze gemaakt waardoor het vliegtuig weer voorlangs kan vliegen met de wind in de rug.

Vlakke acht:

Wanneer het vliegtuig voor de vlieger vliegt wordt de vlakke acht ingezet. Eerst wordt een kwart bocht (90º) naar rechts gevlogen vloeiend gevolgd door een volle bocht (360º) naar links vloeiend gevolgd door een driekwart bocht (270º) naar rechts. De vlakke acht moet zoveel mogelijk op één hoogte gevlogen worden.

Na het beëindigen van het figuur vliegt de vlieger met de wind mee totdat het veld ruimschoots is gepasseerd. Daar wordt een keerfiguur naar keuze gemaakt waardoor het vliegtuig tegen de wind in weer voorlangs komt vliegen. Tijdens dit deel van de vlucht zal de vlieger het vliegtuig laten klimmen tot voldoende hoogte is bereikt om de volgende figuur te kunnen vliegen.

Tolvlucht of spiraal:

De tolvlucht of spiraal is bij examenkandidaten ten onrechte het meest gevreesde figuur. Vaak wordt het figuur ten onrechte een vrille genoemd. Dit figuur is bedoeld om te laten zien dat de vlieger op een veilige manier in korte tijd hoogte kan verliezen. Het figuur bestaat uit drie volledige (360º) linkerbochten. Hierbij wordt dient het vliegtuig hoogte te veliezen. Waar het op neer komt is dat een bocht wordt ingezet met een grote bank angle waarbij nauwelijks of geen hoogteroer input wordt gegeven.

Wanneer de drie volledige bochten zijn uitgevoerd vliegt de vlieger direct het aansluitende figuur.

Circuit met go-around:

Het circuit met go-around wordt gevlogen zoals bij aanvang van de vlucht door de vlieger aan de examinator heeft uitgelegd. Wanneer de windrichting significant is gewijzigd ten opzicht van de wind ten tijde van de start dan zal de examinator de vlieger hiervan op de hoogte stellen. Het circuit zal indien nodig hierop worden aangepast.

Het circuit wordt zoveel mogelijk in de vorm van een rechthoek gevlogen. De vlieger dient het gas dusdanig te regelen dat het vliegtuig een veilige landing uit zou kunnen voeren. Wanneer het vliegtuig een hoogte van ongeveer één meter heeft bereikt geeft de vlieger weer gas om een rechte stijglucht tegen de wind in uit te voeren.

Wanneer het vliegtuig het veld ruimschoots is gepasserd wordt een keerfiguur naar keuze gevlogen waardoor het vliegtuig weer voorlangs komt vliegen met de wind in de rug.

Gesimuleerde noodlanding met motor stationair:

De gesimuleerd noodlanding is bedoeld om te laten zien dat de vlieger in het geval van een motorstoring het vliegtuig op een goede manier naar het veld weet te vliegen en een veilige landing kan maken. Hierbij dient zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de wind, echter de veiligheid van omstanders is belangrijker dan het heel landen. Een noodlanding waarbij het vliegtuig kapot gaat maar waarbij omstanders geen moment in gevaar zijn geweest is beter dan één of meer omstanders enig moment in gevaar te brengen.

Wanneer het vliegtuig voor de vlieger vliegt wordt het gas stationair gezet. Zonder gas bij te geven vliegt de vlieger het vliegtuig richting veld op een dusdanige wijze dat het vliegtuig zoveel mogelijk tegen de wind in kan landen. Wanneer het vliegtuig zich op één meter hoogte bevindt geeft de vlieger weer gas en zal een rechte stijgvlucht tegen de wind in worden ingezet waarna direct het aansluitende figuur wordt gevlogen.

Circuit met landing:

Het circuit met landing in in principe gelijk aan het circuit met go-around. Het circuit wordt gevlogen zoals de vlieger voor aanvang van de vlucht aan de examinator heeft uitgelegd. Wanneer de windrichting significant is gewijzigd ten opzicht van de wind ten tijde van de start dan zal de examinator de vlieger hiervan op de hoogte stellen. Het circuit zal indien nodig hierop worden aangepast.

Het circuit wordt zoveel mogelijk in de vorm van een rechthoek gevlogen. De vlieger dient het gas dusdanig te regelen dat het vliegtuig een veilige landing uit kan voeren. Het circuit wordt afgesloten met een landing.

Aflsuitende handelingen:

Na de landing taxied de vlieger het vliegtuig tot maximaal het einde van de taxibaan. Of de vlieger tilt het vliegtuig terug naar de pits. Alvorens de pits te betreden wordt de motor van het vliegtuig afgezet en brengt de vlieger het vliegtuig terug naar zijn opstelplaats. Daar wordt de ontvanger en zender uitgezet en wordt het vliegtuig klaar gemaakt voor de volgende vlucht of klaar gemaakt voor vervoer als het de laatste vlucht betreft.